Dominee in China

Een voorbeeld in China
De koopman en de dominee (6)
Wereldomroep.nl, door Sigrid Deters, 27-07-2007

Het bedrijf van Thijs Cox verdient jaarlijks miljoenen met de verkoop van Nederlands oud papier aan Chinese fabrieken. Maar Cox, die al 15 jaar in China woont, wil meer dan alleen geld verdienen. Tegen de Chinese graaicultuur in houdt hij vast aan zijn ‘Hollandse’ ideeën over verantwoord ondernemen. En goed voorbeeld doet volgen, ook in China.

Thijs Cox: “Als je tijdens het zakendoen een beetje kunt preken, is dat mooi meegenomen.”

Met gemak baant Thijs Cox (1963) zich in zijn Volkswagen een weg door het chaotische verkeer van Peking, op weg naar zijn kantoor. Hij draagt een makkelijke zittende broek en losse bloes. Aan niets is te zien dat hij de directeur is van een miljoenenbedrijf. “Ik hoef geen grote dure auto. Ik gebruik de winst liever om het bedrijf te verbeteren. En als er dan nog geld over is, geven we dat graag aan goede doelen.”

Hij wijst op een oude man die op zijn fiets stapels kartonnen dozen, plastic petflessen en overig vuil heeft gestapeld. “Een collega van mij”, zegt Cox als hij hem passeert. “Ook hij verdient zijn brood met recyclen, alleen doe ik het op grotere schaal.”

Groei

Cox is samen met twee vrienden de oprichter van Ciparo, een bedrijf dat oud papier, dat in het Westen overblijft, opkoopt en naar China verscheept. Het bedrijf groeide in die vijftien jaar net zo hard als de hoofdstad zelf. “Toen we twaalf jaar geleden ons kantoor introkken, stond hier nog niets. Hierachter waren rijstvelden. Nu zitten we midden in de stad.”

Ook Ciparo is uitgegroeid van een driemanszaak zonder werkplek of kantoor tot een goed lopend miljoenenbedrijf met ongeveer 50 vaste medewerkers en vijf kantoren verspreid over China, plus een kantoor in Nederland. Ciparo haalt ongeveer 30 procent van het Nederlandse oud papier naar China. Ook koopt het bedrijf de laatste jaren papier uit Amerika, Australië en andere Europese landen.

Wereldwijd recyclen

“Eigenlijk doen we niets meer dan het papier terugbrengen naar waar het vandaan komt”, meent Cox. En dat is volgens hem hard nodig: “China is de werkschuur van de wereld. Alle producten worden hier gemaakt. En al dat speelgoed, al die schoenen, kopjes en spijkerbroeken worden in papier verpakt en in kartonnen dozen gestopt voordat het in het westen wordt verkocht. Om die gigantische vraag naar papier aan te kunnen, worden hele bossen vernield. Door ons oud papier terug te brengen, zorgen we ervoor dat er minder bomen worden gekapt.”

Thijs Cox: “Hier in China kun je met weinig geld veel doen.” (foto: Jia Le Song)

Naast papier probeert het bedrijf ook plastic en metaal vanuit het Westen naar China te verschepen voor recycling. “We willen een mondiaal opererend recyclehuis worden”, zegt Cox over zijn ambities. Want, zo meent hij, recyclen is China’s toekomst, gezien de enorme aantasting van het milieu. Wij hebben in het Westen de tweedehands grondstoffen ë©n de kennis hoe je milieuvriendelijk kunt recyclen. Die brengen wij graag over.”

Goed doen

Maar het gaat in Cox’ bedrijf niet alleen om het milieu. “Wij willen het gewoon graag goed doen. Goed met de zaak, goed voor onze afnemers en medewerkers, goed voor het Chinese milieu en de Chinese samenleving.” Volgens Cox houdt dat ‘goed doen’ in eerste instantie in dat je je aan de regels houdt. “Wij doen niet aan omkoping, we handelen alleen met ‘schone’ bedrijven die niet aan kinderarbeid doen en de omgeving niet vervuilen, en we betalen gewoon netjes belasting.”

De papierindustrie is wat dat betreft makkelijk te controleren. “Papier maken is een productieproces: het kost weinig mankracht, maar maakt gebruik van ingewikkelde machines. Je ziet zo of een bedrijf waterzuiveringsfilters gebruikt, of ze hun papier bleken en hoe ze dat doen. Je moet alleen wel zelf de papierfabrieken bezoeken. Daarvoor moet je ook in China zitten.”

Een beetje meer

Goed doen gaat volgens Cox verder dan de regels volgen. Dat beetje extra dat zijn bedrijf Ciparo doet, zit bijvoorbeeld in de aanvullende ziektekostenverzekering die het bedrijf betaalt voor de Chinese werknemers. En extra woonkostenvergoeding, zodat de werknemers fatsoenlijk kunnen wonen in het alsmaar duurder wordende Peking. Daar staat tegenover dat Cox zijn loonbelasting inhoudt op het salaris van zijn werknemers en die loonbelasting ook afdraagt. Cox: “Dat vinden mijn werknemers niet leuk. Maar zo gaat dat bij ons. Wij houden ons aan de wet en dat verlangen we ook van hen.”

Delen

Het bedrijf ondersteunt sinds kort een opvanghuis van geestelijk gehandicapten even buiten Peking. Tijdens een bezoek aan het tehuis, dat aan de rand van Peking tussen de maïsvelden in staat, wacht mevrouw Chang Meng, de ‘pleegmoeder’ van het tehuis, Cox al op. Tien jaar geleden startte deze dame van middelbare leeftijd met haar eigen vermogen dit tehuis. Maar de centen zijn op, vertelt ze later op die middag. Dolblij is ze daarom met de grote financiële bijdrage van Ciparo en nog twee andere Nederlandse bedrijven voor de bouw van een nieuwe bijkeuken. Een voor een stuurt ze de bewoners op Thijs Cox af om hem te bedanken. “Zeg maar dank u wel tegen de directeur”, fluistert ze hen in.

Chang Meng, oprichter van
het gehandicaptenhuis

“Wij krijgen wel giften van Chinezen, maar ik heb nog niet meegemaakt dat bedrijven ons sponsoren”, vertelt mevrouw Chang Meng later tijdens een rondleiding over het terrein. De oude woonkeuken is nu een berg puin, maar, zo verzekert ze, over twee maanden staat er een gloednieuw gebouw, zonder lekkend dak. Ze vindt dat de Nederlanders het leed in de Chinese samenleving meer aantrekken dan Chinezen. Thijs Cox is niet verbaasd. “Hier was jarenlang communisme, men hoefde niet voor anderen te zorgen. Dat deed de staat.”

Toch waakt Cox voor een heiligenverklaring. “In de eerste plaats ben ik een handelaar. Er moet winst worden gemaakt”, meent Cox. Alleen dan kan een bedrijf goed lopen en kunnen de werknemers worden betaald. Maar hij heeft niet het gevoel dat de winst van het bedrijf alleen aan hem toekomt. Cox: “Misschien is het mijn achtergrond. Mijn vader was socioloog en mijn moeder maatschappelijk werker. We waren thuis met zes kinderen. Dan leer je wel te delen.” Volgens Cox biedt de economische groei van China veel mensen nieuwe kansen, “maar geestelijk gehandicapten zullen altijd buiten de boot vallen. Wij kunnen onze winst aanwenden om ook hen wat gelukkiger te maken”.

Vingertje

Sommige Chinese collega’s snappen weinig van zijn immateriële keuzes. “Er heerst hier een enorme graaicultuur. Veel Chinezen willen zo snel mogelijk rijk worden, ten koste van alles.” Hij is ze in het verleden regelmatig tegengekomen. Maar hij heeft zich nog nooit geroepen gevoeld daarover iets te zeggen. “Ik denk niet dat Chinezen per definitie egoïsten zijn. Maar ze komen van heel ver. Nog niet zo lang geleden was hier nog een hongersnood. Dus denken ze nu: eerst geld verdienen, de rest komt later wel.”

Dat neemt niet weg dat het bij Cox af en toe jeukt om te vertellen hoe het beter kan. “Maar je moet hier niet met je vingertje gaan zwaaien en 1,3 miljard Chinezen vertellen hoe het moet. Dat zal geen Chinees accepteren.” Toch denkt Cox dat hij door in China de afgelopen jaren aanwezig te zijn, een bescheiden invloed heeft. “Wij laten zien wat onze manier is van een bedrijf runnen. En in die vijftien jaar hebben veel bedrijven methodes en adviezen van ons overgenomen. Bijvoorbeeld hoe je papier milieuvriendelijker kunt recyclen en hoe je contracten opstelt. Chinezen zijn goed in kopiëren, dus kopiëren ze ook onze bedrijfsvoering.”